Legal

This database is being updated.

Home - Starting a Business - Decreet Toezicht Kredietwezen

Law / Resolution

Decreet Toezicht Kredietwezen

Level

Laws

Content

WET van 21 juni 1968 houdende algemene regelen betreffende het Toezicht op het Bank- en Kredietwezen (G.B. 1968 no. 63), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1986 no. 82.

HOOFSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. de Bank: de Centrale Bank van Suriname;
b. kredietinstellingen: ondernemingen en instellingen die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van gelden en/of het voor hun eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en beleggingen, zulks met uitzondering van kredietverenigingen.
c. kredietverenigingen: instellingen die ten doel hebben de leden behulpzaam te zijn bij het sparen en/of hen kredieten en voorschotten te verlenen;
d. representatieve organisatie: een organisatie die met betrekking tot de uitvoering van deze wet, door de Minister van Financiën en Planning, de Bank gehoord, als een representatieve organisatie voor een groep van kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen, is aangewezen.

2. Voor de toepassing van deze wet worden onder kredietinstellingen mede begrepen vezekeringsinstellingen en pensioenfondsen.

3. De Bank wordt niet beschouwd als kredietinstelling in de zin van deze wet.

4. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid, dienen kredietinstellingen en kredietverenigingen rechtspersonen te zijn.

5. In Suriname gevestigde kredietinstellingen die bijkantoor, agentschap dan wel blijvende vertegenwoordiging zijn van buiten Suriname gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende kredietinstellingen, worden, mits deze laatste een voor de Bank aanvaardbare rechtsvorm hebben, voor de toepassing van deze wet gelijk gesteld met rechtspersonen.

Artikel 2

1. Alle kredietinstellingen en kredietverenigingen zijn verplicht zich bij aangetekend schrijven bij de Bank te melden, binnen dertig dagen na de datum van het in werking treden van het Decreet van 7 november 1986 (S.B. 1986 no. 82), behoudens het bepaalde in artikel III van voormeld wijzigingsdecreet.

2. Alle kredietinstellingen en kredietverenigingen die worden opgericht na het in werking treden van dit decreet zijn verplicht zich bij aangetekend schrijven bij de Bank aan te melden binnen dertig dagen na de dag van oprichting.

Artikel 3

1. Wanneer de Bank vermoedt dat een kredietinstelling dan wel een kredietvereniging voor aanmelding krachtens artikel 2 in aanmerking komt, is zij bevoegd bij deze instelling dan wel vereniging alle inlichtingen in te winnen, die geacht kunnen worden noodzakelijk te zijn om te beoordelen of een verplichting tot aanmelding krachtens artikel 2 bestaat.

2. Iedere kredietinstelling dan wel kredietvereniging is verplicht de Bank, binnen een door haar te stellen termijn, de in het vorige lid bedoelde inlichtingen te verstrekken en de Bank desgewenst door inzage van boeken en bescheiden de gelegenheid te geven zich van de juistheid dezer inlichtingen te overtuigen.

3. Indien een kredietinstelling dan wel kredietvereniging van mening is, dat de haar volgens het tweede lid gevraagde inlichtingen redelijkerwijze niet geacht kunnen worden noodzakelijk te zijn ter beoordeling van de vraag, of een verplichting tot aanmelding bestaat, kan zij binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek ter zake in beroep komen overeenkomstig het bepaalde in artikel 18. De in lid 2 genoemde verplichting wordt door het instellen van het beroep opgeschort.

4. Inlichtingen, volgens het tweede lid verkregen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.

Artikel 4

1. Alle ondernemingen en instellingen die naar het oordeel van de Bank kredietinstelling dan wel kredietvereniging zijn, worden door haar aangewezen als vallende onder haar toezicht.

2. Ondernemingen en instellingen die naar het oordeel van de Bank niet langer als kredietinstelling dan wel kredietvereniging kunnen worden aangemerkt, worden door haar hierover geïnformeerd.

3. Van een besluit krachtens dit artikel door de Bank genomen wordt door haar uiterlijk dertig dagen vóór het in werking treden daarvan per aangetekend schrijven kennis gegeven aan de betrokkene.

4. Van een besluit krachtens dit artikel door de Bank genomen staat binnen dertig dagen na ontvangst van de in lid 3 genoemde kennisgeving beroep open overeenkomstig het bepaalde in artikel 18. De uitvoering van het besluit wordt door het instellen van het beroep opgeschort.

5. Door de Bank worden in de eerste helft van de maand januari van ieder jaar naar de toestand per 31 december van het voorgaande jaar de namen gepubliceerd in het Gouvernements-Advertentieblad van de door haar, overeenkomstig het eerste lid, aangewezen kredietinstellingen en kredietverenigingen. Aanwijzingen na 31 december en intrekkingen krachtens dit artikel worden binnen dertig dagen na de dagtekening van het besluit in het Gouvernements-Advertentieblad bekend gemaakt.

HOOFDSTUK II
HET TOEZICHT EN DE WIJZE WAAROP HET WORDT UITGEOEFEND

Artikel 5

1. Een kredietinstelling dan wel kredietvereniging mag, afgezien van andere wettelijke vereisten, haar bedrijf in Suriname niet aanvangen, dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Bank.

2. Het is aan de aan het toezicht van de Bank onderworpen kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen, afgezien van andere wettelijke vereisten, verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Bank:
a. haar geplaatst of gestort kapitaal te verkleinen;
b. duurzaam deel te nemen in andere kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen dan wel zodanige instellingen of verenigingen over te nemen;
c. fusies aan te gaan met andere ondernemingen of instellingen;
d. over te gaan tot financiële reorganisatie.

3. Wanneer de Bank van mening is, dat het afgeven van een verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in de vorige leden van dit artikel, in strijd zou zijn met een gezond bank- en kredietwezen of met gezond bankbeleid, weigert zij de gevraagde verklaring af te geven. Van deze weigering stelt zij de betrokken kredietinstelling dan wel kredietvereniging uiterlijk dertig dagen na dagtekening van het bij aangetekend schrijven ingediende verzoek tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar in kennis.

4. Binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving, als bedoeld in lid 3, kan de betrokken kredietinstelling dan wel kredietvereniging in beroep komen volgens het bepaalde in artikel 18.

5. Ingeval een handeling, als in lid 1 of 2 bedoeld, is verricht, zonder dat vooraf een verklaring van geen bezwaar is verkregen, is de in overtreding zijnde kredietinstelling dan wel kredietvereniging op vordering van de Bank gehouden de verrichte handeling binnen een door haar te stellen termijn ongedaan te maken, tenzij door haar alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt gegeven.

Artikel 6

1. De Bank kan, ter bevordering van de stabiliteit in de waarde van de geldeenheid van Suriname, aan de aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen en kredietverenigingen, na met deze, dan wel de betrokken representatieve organisatie gepleegd overleg, algemene voorschriften voor bedrijfsvoering geven.

2. Indien het overleg, als bedoeld in het eerste lid, binnen een door de Bank aanvaardbaar geachte termijn niet leidt tot overeenstemming tussen de Bank en de betrokken kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen, dan wel de betrokken representatieve organisaties, of wanneer er, naar het oordeel van de Bank, geen voldoende mate van medewerking bij de uitvoering van de voorschriften wordt verkregen, is de Bank bevoegd bij de Minister van Financiën een voordracht in te dienen om de door haar gegeven voorschriften, als bedoeld in het eerste lid, aan de President van Suriname ter bekrachtiging bij Staatsbesluit voor te leggen.

3. Ingeval de Minister van Financiën meent zijn in het tweede lid bedoelde medewerking niet te kunnen verlenen, zal hij hiervan binnen veertien dagen schriftelijk kennis geven aan de Bank. Deze kennisgeving zal worden aangemerkt als een aanwijzing in de zin van artikel 24 der Bankwet 1956 tot intrekking van de desbetreffende voorschriften.

4. De algemene voorschriften kunnen uitsluitend inhouden:
a. bepalingen nopens de minimale omvang der liquide middelen of van bepaalde onderdelen dier middelen in verhouding tot de toevertrouwde gelden of bepaalde onderdelen daarvan;
b. bepalingen nopens de maximale omvang der kredietuitzettingen of beleggingen of bepaalde onderdelen dezer activa;
c. het verbod of de beperking van het verlenen van bepaalde soorten of vormen van kredieten of van het verrichten van bepaalde soorten of vormen van beleggingen.

5. De algemene voorschriften kunnen voor onderscheidene groepen van kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen verschillend zijn.

6. De Bank kan zich in een algemeen voorschrift de bevoegdheid voorbehouden in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden voor een of meer aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de bepalingen van dat voorschrift te verlenen.

7. In de algemene voorschriften wordt bepaald wat wordt verstaan onder de activa en passiva, waaromtrent regelen worden gesteld.

8. De geldigheidsduur van de algemene voorschriften bedraagt maximaal een jaar.

9. De Bank is bevoegd de algemene voorschriften naar aard en strekking bekend te maken.

Artikel 7

1. De Bank kan, ter bevordering van de solvabiliteit en liquiditeit van de aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen en kredietverenigingen, na met deze dan wel de betrokken representatieve organisaties gepleegd overleg, richtlijnen geven voor haar bedrijfsvoering.

2. Voor de richtlijnen, als bedoeld in het eerste lid, vindt het bepaalde in artikel 6, leden 5 en 7, toepassing.
3. De richtlijnen, als bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend inhouden:
a. bepalingen nopens de minimale omvang der liquide middelen in verhouding tot de toevertrouwde gelden of bepaalde onderdelen van die gelden;
b. bepalingen nopens de maximale omvang der kredietuitzettingen of beleggingen in verhouding tot het eigen vermogen;
c. het verbod of de beperking van het verlenen van bepaalde soorten of vormen van krediet of van kredieten, die een bepaalde omvang te boven gaan;
d. het verbod of de beperking van het verrichten van bepaalde soorten of vormen van beleggingen of van beleggingen, die een bepaalde omvang overtreffen.

Artikel 8

1. Indien de Bank constateert, dat de op grond van artikel 7 gegeven richtlijnen niet worden nageleefd of indien zij andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel voor de solvabiliteit of liquiditeit van de betrokken aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen gevaarlijk is of gevaarlijk zou kunnen worden, vestigt zij daarop zo nodig de aandacht van de betrokkene; zo nodig doet zij haar desbetreffende mededeling vergezeld gaan van een met redenen omkleed advies om binnen een bepaalde termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

2. Bij het geven van een advies, als in het vorige lid bedoeld, stelt de Bank ten termijn binnen welke aan het advies moet zijn voldaan, dan wel een met redenen omkleed antwoord moet zijn gegeven, waarom aan het advies niet is voldaan. Indien binnen deze termijn niet aan het advies is voldaan, dan wel een haar bevredigend antwoord niet is ontvangen, kan de Bank, na de betrokken kredietinstelling dan wel kredietvereniging in de gelegenheid gesteld te hebben te worden gehoord, overgaan tot publikatie van het advies
en de ter zake gevoerde correspondentie.

Artikel 9

1. Van een besluit tot publikatie, als bedoeld in artikel 8 en van de inhoud van de publikatie doet de Bank minstens twintig dagen, voordat tot bekendmaking wordt overgegaan, bij aangetekend schrijven mededeling aan de betrokken kredietinstelling dan wel kredietvereniging.

2. Binnen tien dagen na de ontvangst van die mededeling kan de betrokken kredietinstelling dan wel kredietvereniging in beroep komen overeenkomstig het bepaalde in artikel 18. Tijdens de behandeling van het beroep zal de Bank niet tot publikatie overgaan.

Artikel 10

1. Iedere aan het toezicht onderworpen kredietinstelling en kredietvereniging is verplicht de Bank alle inlichtingen omtrent haar bedrijf te verstrekken, welke de Bank nodig zal oordelen voor de juiste uitoefening van de taak, haar bij deze wet opgelegd.

2. Iedere aan het toezicht onderworpen kredietinstelling en kredietvereniging is verplicht de Bank in de gelegenheid te stellen zich van de juistheid der verstrekte inlichtingen te overtuigen aan de hand van haar boeken en bescheiden. Hij, die vermelde boeken of bescheiden onder zich heeft, is desgevorderd verplicht deze over te leggen.

3. Iedere aan het toezicht onderworpen kredietinstelling en kredietvereniging is verplicht bij het in het tweede lid bedoelde onderzoek zoveel mogelijk behulpzaam te zijn.

4. Inlichtingen omtrent afzonderlijke aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen en kredietverenigingen, ingevolge dit artikel verkregen, worden, behoudens schriftelijke toestemming van de betrokken kredietinstelling dan wel kredietvereniging, niet gepubliceerd en zijn geheim, een en ander behoudens het bepaalde in de artikelen 8 en 20.

Artikel 11

1. Iedere aan het toezicht onderworpen kredietinstelling dan wel kredietvereniging is op verzoek van de Bank verplicht jaarlijks, binnen een door haar bepaalde termijn, een balans en resultatenrekening, in een door de Bank vast te stellen vorm, bij haar in te dienen.

2. De Bank kan bepalen, dat aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen verplicht zijn de door haar, ingevolge het vorige lid, in te dienen stukken vooraf te doen onderzoeken door een in overeenstemming met de Bank aan te wijzen accountant.

Artikel 12

Iedere aan het toezicht onderworpen kredietinstelling dan wel kredietvereniging is verplicht periodiek, binnen een door de Bank bepaalde termijn, staten nopens haar bedrijf, in een door de Bank vast te stellen vorm, bij haar in te dienen.

HOOFDSTUK III
BEPALINGEN VAN BIJZONDERE AARD

Artikel 13

1. Voor zover de bepalingen in de statuten, reglementen en andere interne regelingen van aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen of in overeenkomsten door zodanige kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen met derden gesloten, in strijd zijn met de bepalingen van deze wet of de krachtens deze wet getroffen voorzieningen, blijven zij buiten toepassing.

2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, indien de Bank zulks in een bijzonder geval voor een door haar vast te stellen termijn bepaalt.

Artikel 14

De opgaven en inlichtingen, welke volgens deze wet moeten worden verstrekt, moeten tijdig, naar waarheid en op niet-misleidende wijze worden verschaft.
Artikel 15

Het is aan ieder, die uit hoofde van deze wet enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn functie of door deze wet wordt vereist.

Artikel 16

1. De Bank is bevoegd de voornaamste gegevens voorkomende in de periodieke staten, als bedoeld in artikel 12, te publiceren.

2. De Bank is niet gerechtigd tot publikatie van gegevens met betrekking tot afzonderlijke kredietinstellingen dan wel kredietverenigingen over te gaan, tenzij met schriftelijke toestemming van de betrokken instelling of vereniging en behoudens het bepaalde in artikel 8.

Artikel 17

1. De bepalingen van deze wet vinden overeenkomstige toepassing op in Suriname gevestigde kredietinstellingen die bijkantoor, agentschap dan wel blijvende vertegenwoordiging zijn van buiten Suriname gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1.

2. Kredietinstellingen, als in het eerste lid bedoeld, die overeenkomstig artikel 4 zijn aangewezen, zijn verplicht voor haar bedrijf hier te lande een afzonderlijke boekhouding te voeren.

3. Voor de toepassing van de bepalingen van deze wet is de Bank bevoegd te bepalen, wat onder het eigen vermogen van de in lid 2 van dit artikel bedoelde kredietinstellingen wordt verstaan.

HOOFDSTUK IV
HET BEROEP

Artikel 18

1. Binnen de daartoe gestelde termijn kan in alle gevallen, waarin krachtens deze wet beroep openstaat, zodanig beroep bij de President van Suriname worden ingesteld.

2. Het beroep wordt ingesteld door een met redenen omkleed beroepschrift, waarvan afschrift bij aangetekend schrijven aan de Bank wordt toegezonden.

3. Binnen twee maanden, nadat het beroepschrift is ontvangen, beslist de President de Staatsraad gehoord, na de Bank de gelegenheid gegeven te hebben op het beroepschrift, binnen een door hem te bepalen termijn, haar gevoelen te dezer zake kenbaar te maken.

4. De in het vorige lid bedoelde uitspraak is met redenen omkleed en wordt onmiddellijk bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de betrokken instelling en van de Bank.

5. Indien de uitspraak strekt tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een beslissing, waartegen in beroep was gekomen, voorziet de Bank, voor zover nodig, opnieuw in de zaak met inachtneming van voornoemd besluit.

HOOFDSTUK V
STRAFBEPALINGEN

Artikel 19

1. Overtreding van voorschriften, gegeven bij of ingevolge de artikelen 2, 3 tweede en vierde lid, 5 eerste, tweede en vijfde lid, 6 tweede lid, 10, 11, 12, 13 eerste lid, 14, 15 of 17 tweede lid van deze Wet, wordt gestraft als misdrijf, voor zover de overtreding opzettelijk is begaan; voor zover zij niet opzettelijk is begaan, wordt zij gestraft als overtreding.

2. Hij, die een misdrijf begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en geldboete van ten hoogste Sf 25.000, dan wel met een van deze straffen.

3. Hij, die een overtreding begaat, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden en geldboete van ten hoogste Sf 10.000, dan wel met een van deze straffen.

4. Indien een misdrijf of een overtreding is begaan door een rechtspersoon, wordt de vervolging ingesteld en worden de straffen uitgesproken, hetzij tegen de rechtspersoon, hetzij tegen degenen, die tot het feit opdracht gegeven hebben of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen beiden.

5. Een vervolging krachtens dit artikel wordt niet ingesteld dan op klacht van de Bank of voor zover betreft overtreding van artikel 15, op klacht van de kredietinstelling dan wel kredietvereniging, welker belangen zijn geschaad.



HOOFDSTUK VI
SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

In het Surinaamse Faillissementsbesluit 1935 wordt na artikel 239 een artikel 239a ingevoegd, luidende als volgt:
"1. De Centrale Bank van Suriname kan, wanneer zij de overtuiging heeft verkregen, dat een kredietinstelling dan wel kredietvereniging, aangewezen ingevolge artikel 4, eerste lid, der Wet Toezicht op het Bank- en Kredietwezen 1968 met betalen van haar opeisbare schulden niet zal kunnen voortgaan, na bekomen machtiging van de kantonrechter, voor zodanige kredietinstelling dan wel kredietvereniging surséance van betaling aanvragen op de wijze, voorzien in artikel 205, eerste lid.
2. De kantonrechter beslist over een verzoek tot machtiging, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk, doch niet dan nadat de kredietinstelling dan wel kredietvereniging in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze ter zake aan hem kenbaar te maken.
3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, zal surséance nimmer definitief worden verleend, indien de kredietinstelling dan wel kredietvereniging zich daartegen verzet.
4. De artikelen 206-239 en 240 zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Indien het verzoek wordt afgewezen, anders dan op grond van het derde lid, heeft de Centrale Bank van Suriname recht van hoger beroep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 210. De Centrale Bank van Suriname is bevoegd aan de behandeling van het hoger beroep deel te nemen."

Artikel 21

Met betrekking tot de uitvoering van deze Wet is artikel 24 van de Bankwet 1956 van toepassing.

Artikel 22

Artikel 9 van deze Bankwet 1956 wordt als volgt gelezen:
"De Bank heeft tot taak:
a. het bevorderen van de stabiliteit in de waarde van de geldeenheid van Suriname;
b. het verzorgen van de geldsomloop in Suriname, voor zover uit bankbiljetten bestaande, alsmede het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer;
c. het bevorderen van de ontwikkeling van een gezond bank- en kredietwezen in Suriname;
d. het houden van toezicht op het bank- en kredietwezen in Suriname volgens het bepaalde in de Wet Toezicht op het Bank- en Kredietwezen 1968.
e. het bevorderen en vergemakkelijken van het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland."



Artikel 23

1. Deze Wet kan worden aangehaald als "Decreet Toezicht Kredietwezen".

2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na die van haar afkondiging.

Keywords

Kredietwezen onderneming kredietinstelling bank kredietvereninging