Legal

This database is being updated.

Home - Starting a Business - Wet Bedrijven en Beroepen

Law / Resolution

Wet Bedrijven en Beroepen

Level

Laws

Content

WET van 7 april 2017, houdende vaststelling van regels inzake het uitoefenen van bedrijven en beroepen (Wet Bedrijven en Beroepen).

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,

In overweging genomen hebbende, dat - ter verbetering van het Surinaams ondernemingsklimaat - het wenselijk is nieuwe regels vast te stellen voor de uitoefening van bedrijven en beroepen en de inrichting daarvan;
Heeft, de Staatsraad gehoord, na goedkeuring door De Nationale Assemblée, bekrachtigd de onderstaande wet:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Begripsbepalingen
Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Minister: de Minister belast met economische aangelegenheden;
b. Directeur: de Directeur van het ministerie belast met economische aangelegenheden;
C. aanvrager: degene die het verzoek doet voor een vergunning ter uitoefening van een bedrijf of beroep;
d. administratief beroep: de bevoegdheid om een hoger bestuursorgaan, dan het bestuursorgaan dat de beslissing of het besluit heeft genomen, een beslissing of besluit te laten herzien;
e. beroep: het instellen van administratief beroep dan wel beroep bij de kantonrechter;
f. belanghebbende: een persoon wiens belang bij een besluit is betrokken; ten aanzien van rechtspersonen wordt als hun belang mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen;
g. bestuursorgaan: een orgaan van een rechtspersoon dat krachtens publiekrecht is ingesteld, of een andere persoon of college of dienst, met enig openbaar gezag bekleed;
h. bezwaar: de bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen;
i. gereguleerde bedrijven en beroepen: bedrijven en beroepen waarvoor bij of krachtens deze wet regels worden vastgesteld, waaronder begrepen:
1. bijzondere vereisten: dwingende regels inzake kenmerken van een product, productiemethode, werkwijze of wijze van dienstverlening, gesteld door of vanwege de Staat of aangewezen instanties, onder andere gericht op de gezondheid, respectievelijk de veiligheid van personen en goederen;
2. technische voorschriften: dwingende regels inzake de karakteristieken van een product, proces of systeem en de toepassing van administratieve regels die dwingend zijn voorgeschreven;
3. gecertificeerde bedrijven en beroepen: natuurlijke personen of rechtspersonen die gecertificeerd zijn op het gebied van kwaliteitszorg en kwaliteitszorgsystemen;
4. economische zones: ten behoeve van ordening van economische activiteiten aangewezen zones en gebieden, waarbinnen bepaalde economische activiteiten mogen worden uitgeoefend;
j. Ministerie: het ministerie belast met economische aangelegenheden:
k. uitoefenen van een bedrijf of beroep: het voor eigen rekening en risico verrichten of doen verrichten van diensten of leveren van goederen of tot stand brengen van werken door middel van een organisatie van kapitaal en arbeid, waarmede het behalen van materieel voordeel beoogd wordt, of in concurrentie getreden wordt met anderen wiens activiteiten daarmee vergelijkbaar zijn;
l. vergunning: besluit van een bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorgaan, waarbij wordt toegestaan een bepaald bedrijf of beroep uit te oefenen met inachtneming van de daarbij gestelde voorwaarden;
m. vergunningplichtige bedrijven en beroepen: bedrijven en beroepen waarvoor een voorafgaande vergunning van het daartoe bevoegd orgaan vereist is.

Classificatie van bedrijfs- en beroepsactiviteiten
Artikel 2

Bij of krachtens staatsbesluit wordt een indeling vastgesteld van bedrijven en beroepen in categorieën, gebaseerd op een internationaal geaccepteerde classificatie, welke gebruikt zal worden bij, doch niet beperkt is tot, de vaststelling van vergunningsvoorwaarden, voorschriften, economische zonering en registratie.

HOOFDSTUK 2

UITOEFENING VAN BEDRIJVEN EN BEROEPEN

Uitoefenen van bedrijven en beroepen
Artikel 3

1. Het uitoefenen van een bedrijf of beroep is vrij, behoudens het bepaalde in lid 3 en artikel 4 en voor zover bij of krachtens enige andere wet niet anders is bepaald.
2. Bij of krachtens staatsbesluit worden organen en instanties aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze wet.
3. Bij of krachtens staatsbesluit wordt een lijst vastgesteld, waarbij bedrijven en beroepen worden ingedeeld in één of, voor zover nodig, meer van de volgende categorieën:
a. bedrijven en beroepen die verboden zijn;
b. bedrijven en beroepen waarvan een vergunning is vereist voor de uitoefening daarvan. Deze categorie omvat in elk geval bedrijven of beroepen waarbij gevaarlijke stoffen, wapens en/of munitie op enigerlei wijze betrokken zijn bij de bedrijfsvoering of beroepsuitoefening, mits deze niet zijn gecategoriseerd als te zijn verboden;
c. bedrijven en beroepen waarvan voor de uitoefening daarvan een of meer certificaten, diploma's en/of technische voorschriften vereist zijn, als bedoeld in hoofdstuk 4. Deze categorie omvat in elk geval bedrijven en beroepen, waarbij mensen lijfelijk worden behandeld, of bedrijven en beroepen waarvoor speciale deskundigheid vereist is, bij ontbreken waarvan bij de uitoefening letsel, schade of nadeel voor personen of goederen kan ontstaan, mits deze niet zijn gecategoriseerd als te zijn
verboden;
d. bedrijven en beroepen waarvan de uitoefening verboden is in aangewezen gebieden of beperkt is tot de door de Minister aangewezen gebieden, als bedoeld in hoofdstuk 5.
e. Bij staatsbesluit kunnen de categorieën nader worden gedefinieerd, dan wel worden uitgebreid.
4. Bij verandering van de indeling van een bedrijf of beroep in een andere categorie worden bij staatsbesluit voorschriften vastgesteld om de overgang van het bedrijf of beroep naar die andere categorie zoveel mogelijk geleidelijk te doen plaatsvinden; tevens wordt een overgangstermijn vastgesteld, waarna de uitoefening van het bedrijf of beroep volgens de gewijzigde indeling dient te geschieden.

HOOFDSTUK 3

VERGUNNINGEN

Vergunningsaanvraag
Artikel 4

1. Vergunningen, als bedoeld in artikel 3 lid 3 onder b, worden verleend door de Directeur.
2. De aanvrager kan zijn:
a. een natuurlijke persoon, die ingezetene is van de Republiek
Suriname of staatsburger van één van de andere lidstaten van de
Caribische Gemeenschap (Caricom);
b. een rechtspersoon;
c. een, met inachtneming van een ten aanzien van de Republiek Suriname in werking getreden verdrag, bij staatsbesluit aangewezen persoon of samenwerkingsvorm.
3. Voor de verkrijging van een vergunning is vergunningsrecht verschuldigd. Bij of krachtens staatsbesluit worden de vergunningsrechten vastgesteld.
4. De Minister stelt voorschriften vast omtrent de plaats, de wijze en de vorm van indiening van de vergunningsaanvraag en de bescheiden die ingevolge enige bepaling van deze wet daarbij dienen te worden overgelegd.
5. Een vergunningsaanvraag wordt binnen 7 (zeven) dagen nadat het is ingekomen door de Directeur bekendgemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname, in de dagbladen en eventueel ook digitaal of op een andere door de Minister vast te stellen wijze.
6. Iedere belanghebbende die bedenkingen heeft, is bevoegd binnen 14 (veertien) dagen na de bekendmaking genoemd in lid 5, zijn bedenkingen met betrekking tot het verlenen van de vergunning bij de Directeur kenbaar te maken. De bevoegdheid tot het kenbaar maken van bedenkingen ontbreekt, indien het betreft de aanvraag voor een vergunning voor de uitoefening van een bedrijf of beroep, die gevestigd is in een speciaal daartoe aangewezen zone als bedoeld in artikel 15, dan wel voor de uitoefening van een bedrijf of beroep die geen bijzonder gezondheids- en/of milieu risico oplevert voor de omgeving.
7. De Minister stelt nadere regels vast omtrent de invulling van de soort en de omvang van het risico ter zake waarvan het indienen van bedenkingen zijn uitgesloten, ofjuist zijn toegestaan.
8. De Directeur doet, indien zulks wenselijk wordt geacht, een onderzoek instellen inzake de naar voren gebrachte bedenkingen en doet degenen die hun bedenkingen naar voren hebben gebracht, horen.
Verlenen van een vergunning
Artikel 5
1. De beslissing op een vergunningsaanvraag wordt binnen 14 (veertien) dagen genomen na publicatie als bedoeld in artikel 4 lid 5. Indien er sprake is van bedenkingen als bedoeld in artikel 4 lid 6, wordt een beslissing op een vergunningsaanvraag genomen binnen 14 (veertien) dagen na de afloop van de in artikel 4 lid 6 genoemde termijn.
2. Het besluit wordt onmiddellijk aan de aanvrager meegedeeld en wordt tevens bekendgemaakt, conform het bepaalde in artikel 4 lid 5.
3. De vergunning wordt, tenzij tegen de inwilliging van de aanvraag gegronde bezwaren bestaan, verleend:
a. voor een bepaald bedrijf of beroep;
b. voor een bepaalde plaats, indien het beroep of bedrijf plaatsgebonden is; en
c. in geval het betreft een vergunning voor bepaalde tijd, voor de duur van de ingevolge artikel 7 lid 2, vastgestelde termijn.
4. Indien binnen de in lid I bedoelde termijn geen besluit is genomen, kan de aanvrager per aangetekend schrijven aan de Directeur het verzoek doen de aanvraag afte handelen, op welk verzoek de Directeur binnen 14 (veertien) dagen na ontvangst van bedoeld schrijven een besluit neemt.

Vergunningsvoorwaarden
Artikel 6

l . Aan een vergunning als bedoeld in artikel 4 worden voorwaarden verbonden, welke tussentijds kunnen worden gewijzigd, indien bijzondere omstandigheden voortvloeiende uit de wet, openbare orde of goede zeden daartoe aanleiding geven.
2. Bij wijziging van de voorwaarden wordt een overgangstermijn vastgesteld, waarna de uitoefening van het bedrijf of beroep volgens de nieuwe voorwaarden dient te geschieden.
3. De Minister stelt de algemene en bijzondere voorwaarden vast.

Looptijd van de vergunning
Artikel 7

1. Een vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
2. Vanwege dwingende van algemeen belang, worden bij of krachtens staatsbesluit categorieën bedrijven en/of beroepen aangewezen, waarbij in afwijking van het bepaalde in lid I een vergunning wordt verleend voor een bij of krachtens dat staatsbesluit vast te stellen bepaalde tijd.

Verlenging van de vergunning
Artikel 8

1. Een vergunning voor bepaalde tijd wordt na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 7 lid 2, automatisch verlengd voor een gelijke temijn, indien de Minister niet ten minste zes maanden voor het verlopen van de termijn, schriftelijk en met redenen omkleed heeft aangegeven de vergunning niet te zullen verlengen.
2. Voor de verlenging van een vergunning is vergunningsrecht verschuldigd als bedoeld in artikel 4 lid 3.

Aard van de vergunning
Artikel 9

l. De vergunning wordt gesteld ten name van de aanvrager.
2. Indien de aanvrager een rechtspersoon is, wordt de vergunning verleend op naam van de rechtspersoon.

Uitoefening door derden
Artikel 10

l. Het is verboden, dat anderen dan de vergunninghouder voor eigen rekening en risico het bedrijf of beroep uitoefenen.
2. De Directeur kan evenwel, indien daartoe gonden aanwezig zijn, op schriftelijk verzoek van een belanghebbende toestemming verlenen, dat de vergunning op naam van een derde wordt gesteld, of dat het bedrijf of beroep in gemeenschap met derden wordt uitgeoefend.

Wijzigingen bij overdracht, overgang of verhuizing
Artikel 11

l. Een vergunning vervalt bij:
a. overlijden of ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap van de natuurlijke persoon;
b. bij ontbinding, juridische fusie of splitsing van de rechtspersoon. indien de vergunning ten name van de rechtspersoon is verleend:
c. overdracht van het bedrijf of beroep;
d. verhuizing, indien het betreft een plaatsgebonden bedrijf of beroep, met dien verstande dat in de gevallen als bedoeld in lid I sub a en b de vergunning van rechtswege tijdelijk wordt voortgezet voor een periode van zes (6) maanden, indien:
I. het niet betreft een bedrijf of een beroep dat slechts persoonlijk door de rechtsvoorganger kon worden uitgeoefend; en
II. ll. er geen schriftelijke kennisgeving is ontvangen door de Directeur dat de vergunning niet langer gewenst is; indien er meerdere rechtsopvolgers zijn dient een dergelijke kennisgeving getekend te zijn door alle rechtsopvolgers.
2. Gedurende de in lid I bedoelde voortzettingstermijn dient de rechtsopvolger een verzoek bij de Directeur in te dienen voor wijziging van de tenaamstelling van de vergunning op naam van de rechtsopvolger en zo er meerdere rechtsopvolgers zijn, op naam van een van hen, in welk laatste geval het verzoek tevens door allen getekend dient te zijn.
3. De termijn als bedoeld in lid I kan tot twee maal toe voor een gelijke periode schriftelijk worden verlengd, indien er sprake is van een onverdeeldheid en de rechtsopvolgers nog geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de aanwijzing van degene op wiens naam de vergunning moet worden gesteld. Bij of krachtens staatsbesluit kunnen nadere voorschriften worden verbonden aan een dergelijk verzoek tot verlenging.
4. Indien na verloop van de in lid I bedoelde termijn of na afloop van de termijn na de in lid 3 bedoelde verlenging, geen wijziging van de tenaamstelling is geschied, vervalt de vergunning.
5. In de gevallen als bedoeld in lid I sub c en d, dient 30 (dertig) dagen voorafgaand aan de overdracht of de verhuizing een wijziging van de tenaamstelling van de vergunning te worden aangevraagd.
6. In geval het betreft een overdracht, met behoud van locatie en niet zijnde een bedrijf of een beroep dat slechts persoonlijk door de rechtsvoorganger kon worden uitgeoefend en waarbij het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling tijdig is ingediend, mag de rechtsopvolger het bedrijf of beroep tijdelijk voortzetten, totdat de tenaamstelling van de vergunning is gewijzigd.
7. Een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de vergunning als bedoeld in dit artikel wordt beschouwd als een aanvraag voor een nieuwe vergunning en als zodanig behandeld. Het bepaalde in artikel 4 en 5 is, voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.
8. Voor de wijziging van de tenaamstelling van de vergunning en de verlenging van de termijn van de tijdelijke voortzetting zijn vergunningsrechten als bedoeld in artikel 4 lid 3 verschuldigd.
9. De bevoegdheid tot tijdelijke voortzetting verschaft de rechtsopvolger geenszins een automatisch recht op toewijzing van het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling.

HOOFDSTUK 4

CERTIFICATEN, DIPLOMA'S, TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN EN BIJZONDERE VEREISTEN

Gecertificeerde bedrijven en beroepen
Artikel 12

Bij of krachtens staatsbesluit kan de uitoefening van een bedrijf of beroep afhankelijk worden gesteld van:
a. een certificaat of certificaten, verstrekt door één of meer door de Minister erkende instellingen of bedrijven; of
b. een diploma of diploma's.

Technische voorschriften of bijzondere vereisten
Artikel 13

Bij of krachtens staatsbesluit kan de uitoefening van een bedrijf of beroep afhankelijk worden gesteld van technische voorschriften als bedoeld in de Standaardenwet (SB. 2004 no. 121, zoals gewijzigd bij SB. 2012, no. 42), of van andere bijzondere vereisten.

Afstemming met andere instanties
Artikel 14

1. Na afstemming met andere betrokken ministeries en instanties, doet de Minister de voordracht tot:
a. het indelen van een bedrijf of beroep, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3;
b. het afhankelijk stellen van certificering of diploma's zoals bedoeld in artikel 12;
c. het stellen van technische voorschriften of andere bijzondere vereisten, zoals bedoeld in artikel 13; of
d. het aanwijzen van zones, zoals bedoeld in artikel 15.
2. Indien ingevolge enige wettelijke bepaling ten aanzien van de uitoefening van een bepaald bedrijf of beroep een beperkende maatregel is toegepast, wordt daarvan door of namens de betrokken Minister, binnen 14 (veertien) dagen schriftelijk mededeling gedaan aan de Minister.

HOOFDSTUK 5

ECONONflSCHE ZONES

Aanwijzing economische zones en verboden zones
Artikel 15

Ten behoeve van ordening van economische activiteiten in het kader van deze wet, kunnen bij of krachtens staatsbesluit vastgesteld worden:
a. De categorieën bedrijven of beroepen die in door de bevoegde autoriteiten ingestelde zones niet of beperkt kunnen worden uitgeoefend; en
b. De vergunningsvoorwaarden of registratievoorschriften die voor elke zone gelden voor verschillende categorieën bedrijven en/of beroepen.

HOOFDSTUK 6

BESTUURSRECHTELIJKE HANDHAVING

Bindende aanwijzing bij overtreding
Artikel 16

l . Indien er aanwijzingen zijn dat bij de uitoefening van een bedrijf of beroep in strijd is gehandeld met het bepaalde bij of krachtens deze wet, stelt de Directeur of een namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, een onderzoek daaromtrent in.
2. Van elk door de Directeur of de in lid I bedoelde instantie of bevoegde autoriteit ingesteld onderzoek, wordt binnen een periode van ten hoogste 3 (drie) maanden een rapport opgemaakt.
3. In het rapport worden onder andere opgenomen:
a. de feiten en omstandigheden op gond waarvan is vastgesteld dat een overtreding is begaan;
b. waar en wanneer de onder a bedoelde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan;
c. degene(n) die de overtreding hebben begaan;
d. de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend;
e. de overtreding ter zake waarvoor de sanctie wordt opgelegd;
f. het overtreden wettelijk voorschrift;
g. de gelaste correctieve maatregelen; en
h. het besluit waarbij bestuursrechtelijke sancties worden opgelegd.

4. De Directeur:
a. stelt degene tegen wie het onderzoek is ingesteld in kennis van de bevindingen uit het onderzoek;
b. draagt de betrokkene op om een bewezen geachte overtreding binnen een door de Minister aan te geven periode, die niet langer is dan 3 (drie) maanden, te beëindigen; en
C. legt de betrokkene een sanctie op zoals bepaald in de artikelen 17, 18, 19 of20.
5. Het in lid 4 bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, met dien verstande dat deze geen sanctie als bedoeld in artikel 19 kan opleggen.

Verplichting tot herstel
Artikel 17

1. De Directeur of een namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, legt aan de betrokkene als bedoeld in artikel 16, de verplichting op tot:
a. het verrichten van wat is nagelaten in strijd met deze wet;
b. tenietdoening van wat in strijd met zulks voorschrift is verricht; alsmede
c. het verrichten van prestaties tot het herstellen van de gevolgen daarvan, alles op kosten van de betrokkene.
2. Indien noodzakelijkerwijs schade aan derden hersteld moet worden door de Staat, komen de kosten voor rekening van betrokkene.
3. De Directeur of een namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, is bevoegd om, naast de verplichting tot herstel, een dwangsom op te leggen.
4. Tot het opleggen van de verplichting als bedoeld in lid I en een dwangsom als bedoeld in lid 3 kan niet worden overgegaan, dan nadat de betrokkene is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen.
5. Het bedrag van de dwangsom bedraagt ten hoogste SRD 500,--
(Vijfhonderd Surinaamse dollar) per dag, tot een maximum van
SRD 100.000,-- (Eenhonderd Duizend Surinaamse dollar) in totaal.
6. Bij hct vaststellen van de dwangsom wordt in ieder geval rekening gehouden met de ernst en de duur van de overtreding, alsmede de aard en de omvang van de verplichting als bedoeld in lid l .
7. De Directeur of een namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, die de verplichting als bedoeld in lid l , al dan niet onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de verplichting opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de ovett:eder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
8. De bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom verjaalt door verloop van tweejaren na de dag waarop zij is verbeurd.
Sluiting van een bedrijf of stopzetting van beroepsuitoefening Artikel 18
l . Dc Directeur of een namens de Directeur bij staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit besluit, in geval van handelen in strijd met een ingevolge artikel 16 gegeven bindende aanwijzing, tot sluiting van het bedrijf of stopzetting van de beroepsuitoefening, na verloop van de in die aanwijzing vastgestelde termijn.
2. Tot sluiting kan niet worden overgegaan, dan nadat de betrokkene is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen.
3. De Directeur of een namens de Directeur bij staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, gaat evenwel over tot sluiting van een bedrijf of stopzetting van de beroepsuitoefening met onmiddellijke ingang, indien de uitoefening van het bedrijf of beroep geschiedt in strijd met een voorschrift vastgesteld bij of krachtens deze wet, waarbij gevaar kan ontstaan voor de openbare orde, de openbare zedelijkheid, de openbare veiligheid, de staatsveiligheid, de volksgezondheid en het leven van personen, dieren of planten en het milieu.
4. Bij het besluit tot sluiting houdt de Directeur of de namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, in ieder geval rekening met de ernst en de duur van de overtreding.

Intrekking van een vergunning
Artikel 19

1. Bij niet nakoming van de bij of krachtens deze wet gestelde voorwaarden of indien aanwijzingen als bedoeld in artikel 16 niet worden opgevolgd, wordt de vergunning door de Directeur ingetrokken.
2. Een vergunning wordt tevens ingetrokken, indien de voor de verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat bij de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.
3. Tot intrekking kan niet worden overgegaan, dan nadat de betrokkene is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen.
4. Bij het besluit tot intrekking van een vergunning houdt de Directeur in ieder geval rekening met de ernst en de duur van de overtreding.
5. De Directeur trekt voorts de vergunningen behorende tot een door de Minister aangewezen categorie van bedrijven of beroepen, gezamenlijk in, indien een gewichtige reden, ontleend aan de openbare veiligheid of ter bescherming van de volksgezondheid of het leven van mens, dier of plant of het milieu of in nationaal economisch belang, dit noodzakelijk maakt. Een krachtens dit lid genomen besluit wordt met opgave van redenen bekendgemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname of op een andere door de Minister vast te stellen wijze.

Bestuurlijke boete
Artikel 20

l . De Directeur of een namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, legt een boete op bij:
a. de uitoefening van een bedrijf of beroep, zonder vergunning of van een gereguleerd bedrijf of beroep, zonder certificering dan wel diploma('s), in strijd met technische voorschriften of bijzondere vereisten, die zijn gesteld of in strijd met de ter zake geldende regels van economische zonering;
b. de uitoefening van een bedrijf of beroep zonder dat registratie als bedoeld in artikel 34 lid 5, heeft plaatsgevonden;
c. overtreding van een bij vergunning gestelde voorwaarde;
d. het niet tijdig verzoeken van een wijziging van een tenaamstelling, als bedoeld in artikel I l .
2. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete komt ook toe aan een namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, met uitzondering van de in lid I sub c bedoelde situatie.
3. De boete bedraagt:
a. in de onder lid 1 sub a bedoelde gevallen ten hoogste SRD 1000,--( Eenduizend Surinaamse Dollar);
b. in het onder lid I sub b bedoelde geval een som welke gelijk is aan het verschuldigde registratierecht; c. in het onder lid I sub c bedoelde geval ten hoogste SRD 1.000,--( Eenduizend Surinaamse Dollar).
4. De boete in het onder lid sub Id bedoelde geval een som welke gelijk is aan het verschuldigde vergunningsrecht dat geldt ter zake van de wijziging van de tenaamstelling van een dergelijke vergunning.
5. Tot het opleggen van een boete kan niet worden overgegaan, dan nadat de betrokkene is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen.
6. Bij het opleggen van een boete alsmede bij de vaststelling van de hoogte van de boete wordt in ieder geval rekening gehouden met de ernst en de duur van de overtreding.
7. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt drie jaren, nadat de overtreding is vastgesteld.
8. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt voorts, indien ter zake de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging ingevolge artikel 29 van de Wet Economische Delicten is vervallen.
9. Het bestuursorgaan of de namens de Directeur bij of krachtens staatsbesluit aangewezen instantie, dan wel de bij wet daartoe bevoegde regionale of lokale autoriteit, is bevoegd een dwangbevel uit te vaardigen ten einde de ingevolge lid 3 alsmede alle andere ingevolge deze wet verschuldigde geldsommen in te vorderen, indien de volledige betaling door een overtreder niet binnen de in lid I I gestelde aanmaningstermijn heeft plaatsgevonden. Het dwangbevel kan evenwel zonder aanmaning en voor het verstrijken van bij wettelijk voorschrift gestelde of eerder gegunde betalingsof aanmaningstermijnen worden uitgevaardigd of ten uitvoer worden gelegd, indien het op voorhand duidelijk is dat de overtreder niet aan diens geldelijke verplichtingen zal voldoen.
10. Het dwangbevel vermeldt in ieder gevat:
a. aan het hoofd het woord "dwangbevel";
b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom;
c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
d. de kosten van het dwangbevel; en
e. dat het op kosten van de schuldenaar ten uitvoer kan worden gelegd; en voorts indien van toepassing
f. het bedrag van de aanmaningsvergoeding; en
g. de ingangsdatum van de wettelijke rente.
11. Alvorens een dwangbevel uit te vaardigen wordtde overtreder aangemaand tot betaling, binnen een termijn van 4 (vier) weken. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
12. Voor de aanmaning wordt een vergoeding in rekening gebracht. De hoogte van de vergoeding wordt bij of krachtens staatsbesluit vastgesteld. De aanmaning vermeldt de vergoeding die in rekening wordt gebracht.
13. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Rechtshandhavingsbesluit
Artikel 21

1. In het besluit als bedoeld in de artikelen 16, lid 4 onder b, 17, 18, 19, en 20 worden in ieder geval vermeld:
a. de naam en het adres van het bestuursorgaan, bevoegd tot het nemen van het besluit;
b. de overtreding ter zake waarvan zij is gegeven, onder verwijzing naar het desbetreffend voorschrift;
c. een aanduiding van de plaats waar en de datum waarop de overtreding is begaan;
d. de feiten en omstandigheden op grond waarvan is vastgesteld dat een overtreding is begaan;
e. de mogelijkheid en de wijze van instellen van bezwaar en beroep tegen de beschikking, de termijn daarvoor en het te adiëren bestuursorgaan.
2. Het besluit wordt in één (l) van de lokale dagbladen, bekendgemaakt.

HOOFDSTUK 7

BEZWAAR EN BEROEP

Uitstel en opschorting termijnen
Artikel 22

l. Indien een besluit niet binnen de in deze wet voorgeschreven termijnen kan worden genomen, deelt het bestuursorgaan dit schriftelijk, gemotiveerd en voor afloop van de gestelde gemijn, aan de belanghebbende mede en vermeldt daarbij een zo kort mogelijke termijn, doch maximaal een termijn van 14 (veertien) dagen, waarbinnen het besluit tegemoet kan worden gezien, zoals bepaald in lid 2.
2. Een termijn kan worden opgeschort:
a. wanneer een belanghebbende is verzocht om een aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde tennijn ongebruikt is verstreken;
b. gedurende de termijn waarover de belanghebbende schriftelijk heeft ingestemd;
c. wanneer het bestuursorgaan de aanvrager mededeelt, dat voor het besluit op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een andere of aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is; of
d. indien er sprake is van overmacht, zolang het bestuursorgaan door ovemacht niet in staat is een besluit te nemen.
3. In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede, dat de temijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn het besluit wel tegemoet kan worden gezien.
4. Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke het besluit alsnog moet worden genomen.

Gelijkstelling met een besluit
Artikel 23

Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen; en
b. het niet tijdig nemen van een besluit, één en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 22.

Bezwaar
Artikel 24

1. Degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een bij of krachtens deze wet genomen besluit, dat geen algemeen verbindende regel bevat, kan daartegen bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
2. Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen of heeft nagelaten; het bezwaarschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;
d. de gronden van het bezwaar.
3. Dit bezwaar wordt ingediend binnen 30 (dertig) dagen nadat het gewraakte besluit te zijner kennis is gebracht of de wettelijke termijn is verstreken waarbinnen het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
4. Op het bezwaar als bedoeld in lid I wordt binnen 7 (zeven) dagen na de datum van indiening door het bestuursorgaan, na heroverweging, een besluit genomen en wordt:
a. het betreffende besluit waartegen bezwaar is ingediend behouden, al dan niet met verbetering van de gronden; of
b. voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het betreffende besluit waartegen bezwaar is ingediend geheel of gedeeltelijk herroepen en wordt voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit genomen.
5. Voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist, hoort zij belanghebbenden; het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte, alsmede diegenen die ingevolge artikel 4 lid 6 hun bedenkingen naar voren hebben gebracht.

Administratief beroep en beroep bij de kantonrechter
Artikel 25

1. Degene die zich op feitelijke of rechtsgronden niet kan verenigen met een besluit inzake het bezwaar ingevolge artikel 24 of een afwijzing van het bezwaar, kan daartegen administratief beroep instellen bij de Minister.
2. Het instellen van administratief beroep geschiedt door het indienen van een ondertekend beroepschrift, welke ten minste bevat:
a. de naam en het adres van de indiener,
c. de dagtekening;
d. een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht;
e. de gronden van het beroep.
3. Het beroep wordt ingesteld binnen 30 (dertig) dagen nadat het besluit bekend gemaakt is aan de belanghebbende, respectievelijk binnen dertig dagen na het verstrijken van de in artikel 24 lid 3 opgenomen termijn.
4. Op het beroep wordt binnen 30 (dertig) dagen na de datum van indiening van het beroepschrift beslist.
5. De in lid 4 bedoelde beslissing kan inhouden, dat het beroep niet ontvankelijk, gegrond of ongegrond wordt verklaard. De beslissing wordt onverwijld, tegen ontvangstbevestiging ter kennis van de indiener van het beroep gebracht.
6. Indien het beroep gegrond wordt verklaard, voorziet de Minister, voor zover nodig, opnieuw in de zaak.
7. Een belanghebbende of een bestuursorgaan kan beroep instellen bij de kantonrechter ter zake van:
a. een beslissing in administratief beroep;
b. een besluit als bedoeld in artikel 23.
8. Indien de kantonrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt deze het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
9. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
10. De kantonrechter kan bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven.
11. De kantonrechter kan het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen, of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen of het kan besluiten dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
12. De kantonrechter kan het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling, en kan nodig een voorlopige voorziening treffen; daarbij bepaalt deze het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt.
13. De kantonrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door de kantonrechter aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt.
14. Indien de kantonrechter een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, neemt deze een beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt de kantonrechter dat diens uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.
15. Indien door een bestuursorgaan cen geldelijke sanctie of dwangsom is opgelegd, kan in geval van administratief beroep of beroep bij de kantonrechter, het bedrag van de geldelijke sanctie of van de dwangsom worden verminderd, indien daartoe gerechtvaardigde gronden aanwezig zijn.

Schorsende werking bezwaar en beroep
Artikel 26

De werking van een beschikking als bedoeld in de artikelen 16, 17, 18, met uitzondering van lid 3 en artikel 19, met uitzondering van lid 5, wordt opgeschort, totdat de bezwaar- en beroepstermijn is verstreken of, indien op het ingestelde bezwaar of beroep is beslist.

HOOFDSTUK 8 STRAFBEPALNGEN

Economische delicten
Artikel 27

l. Overtreding, in verband met de uitoefening van een bedrijf of beroep, van een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift, wordt beschouwd als een economisch delict in de zin van de Wet Economische Delicten (S.B. 1986 no. 2, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2002 no. 67), indien er sprake is van herhaling van een overtreding.
2. Opzettelijke overtreding van een in lid I bedoeld voorschrift en onder de in dat lid genoemde voorwaarden wordt beschouwd als een misdrijf, evenals gevallen waarin:
a. de overtreding heeft geleid tot lichamelijk letsel of overlijden; of
b. de overtreding een ernstig risico oplevert voor de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het leven van mens, dier of plant, dan wel het milieu.

Opsporingsbevoegdheid
Artikel 28

Met het opsporen van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de bij artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, diegenen belast die daartoe door de Minister zijn aangewezen, waar nodig in overleg met andere betrokken Ministers.

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN GEGEVENS
Artikel 29

l. Gegevens of inlichtingen omtrent een bedrijf of beroep, welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de uitvoering van die taken en de uitoefening van die bevoegdheden worden gebruikt.
2. In afwijking van lid I zijn de door de Minister aangewezen personen bevoegd noodzakelijkerwijs, de bij de uitvoering van deze wet verkregen gegevens of inlichtingen, te verstrekken aan een instantie die op grond van bepalingen in andere wetten is belast met de uitvoering van toezichthoudende taken, mits:
a. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen in voldoende mate gewaarborgd is; en
b. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen slechts zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor deze zijn verkregen.
3. De geheimhoudingsplicht ingevolge dit artikel geldt ook, nadat een persoon, die in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet, gegevens of inlichtingen heeft verkregen omtrent een bedrijf of beroep, de dienst heeft verlaten.

HOOFDSTUK 10

OVERIGE BEPALINGEN

Wijze van bekendmaking en publicatie
Artikel 30

l. Een besluit dient onverwijld te worden bekendgemaakt of medegedeeld aan de belanghebbende.
2. Bekendmaking of mededeling van een besluit aan de belanghebbende geschiedt:
a. elektronisch, tegen ontvangstbevestiging;
b. via aangetekend schrijven tegen ontvangstbevestiging;
c. per deurwaardersexploot; of
d. door overhandiging op het kantoor van het bestuursorgaan tegen ontvangstbevestiging.
3. Het besluit ter zake een vergunningaanvraag wordt binnen 7 (zeven) dagen nadat het is genomen tevens bekendgemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname of op een andere door de Minister vast te stellen wijze.

Procedures
Artikel 31

l. Bij of krachtens staatsbesluit worden procedures voor afhandeling en onderzoek vastgesteld:
a. voor de aanvraag van een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 3, waaronder mede begrepen verlenging van een vergunning;
b. voor de behandeling van de bedenkingen door derden aangetekend, als bedoeld in artikel 4 lid 6;
c. voor het verlenen van toestemming voor uitoefening van het bedrijf of beroep door derden of in gemeenschap, als bedoeld in artikel 10 lid 2;
d. voor wijziging van de tenaamstelling bij overdracht, overgang of verhuizing als bedoeld in artikel 1 1;
e. voor het opleggen van een verplichting tot herstel als bedoeld in artikel 17 lid l, voor het stopzetten van de bedrijfs- of beroepsuitoefening, voor het intrekken van de vergunning, alsmede voor het opleggen van een boete.
3. Bij of krachtens staatsbesluit worden eveneens nadere regels vastgesteld met betrekking tot degenen die belast zijn met de uitvoering en de handhaving van procedures, ingevolge lid l.

Algemene delegatiebepaling
Artikel 32

Onverminderd de bepalingen van deze wet waarin een staatsbesluit is voorgeschreven, kunnen omtrent de in deze wet geregelde onderwerpen nadere regels bij of krachtens staatsbesluit worden vastgesteld.

Periodieke evaluatie en bijstelling
Artikel 33

l. De categorisering als bedoeld in artikel 2, de indeling als bedoeld in artikel 3 lid 3, de vaststelling van de soort en omvang van risico's als bedoeld in artikel 4 lid 7, voorwaarden en procedures welke zijn vastgesteld ingevolge deze wet, worden regelmatig geëvalueerd. Indien de economische omstandigheden, beleidsinzichten of internationale ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, worden ze tevens bijgesteld.
2. Het bepaalde in artikel 3 lid 4 is daarbij voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 11

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Overgangsbepalingen en aanpassingswetgeving
Artikel 34

l . De op grond van het Decreet Vergunningen Bedrijven en Beroepen (S.B. 1981 no. 145) verleende vergunningen blijven van kracht tot en met de afloop van de in de vergunning vermelde tennijn, indien het betreffende bedrijf of beroep onder deze wet vergunningplichtig is.
2. De op grond van het decreet Vergunningen Bedrijven en Beroepen (SB. 1981 no. 145) uitgegeven beschikkingen van de Minister van Handel en Industrie, tevens alle andere wettelijke regelingen voortvloeiende uit het Decreet Vergunningen Bedrijven en Beroepen blijven van kracht, totdat zij met inachtneming van het bepaalde in deze wet worden vervangen.
3. Indien bij staatsbesluit regels worden vastgesteld die met zich meebrengen, dat eerder toegestane activiteiten worden verboden of beperkt door een vergunning of andere voorwaarden, dan wel niet langer op een bepaalde locatie zijn toegestaan, zal in zulks ecn staatsbesluit eveneens een overgangsregeling worden opgenomen.
4. Voor zover er in een gebied geen economische zones zijn vastgesteld, kunnen na overleg met de regionale en/of lokale autoriteiten, bij of krachtens staatsbesluit, gebieden worden afgebakend, waarin de uitoefening van bepaalde bedrijven of beroepen zijn toegestaan, dan wel verboden, één en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 15.
5. Bedrijven en beroepen waarvan de registratie niet elders is geregeld bij wet, dienen te worden geregistreerd in een door de Minister ingesteld register.

Artikel 35

Bij de inwerkingtreding van deze wet wordt ingetrokken het Decreet Vergunningen Bedrijven en Beroepen (S.B. 1981 no. 145).

Slotbepaling
Artikel 36

l. Deze wet wordt aangehaald als: Wet Bedrijven en Beroepen.
2. Zij wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd en treedt in werking met ingang van de dag volgende op het verloop van zes maanden na die van haar afkondiging.
3. De Minister belast met economische aangelegenheden is belast met de uitvoering van deze wet.

Gegeven te Paramaribo, de 7e april 2017
DESIRÉ D. BOUTERSE

Uitgegeven te Paramaribo, de 5e mei 2017 De Minister van Binnenlandse Zaken,

M.M.F. NOERSALIM

Keywords

vergunning bedrijven beroepen